Waterrijke habitats in Vlaanderen

Waterrijke habitats in Vlaanderen

In Vlaanderen komt een grote variatie voor aan waterbiotopen die elk gekarakteriseerd worden door verschillende fysische en chemische eigenschappen. De indeling die wij hier hanteren is vooral gebaseerd op ecologische kenmerken. Hieronder geven we een kort overzicht en beschrijving van de voornaamste libellenbiotopen in Vlaanderen. Een groot onderscheid betreft het al dan niet stromend zijn van een waterbiotoop.

 

Stromend water

Stroming is het meest specifieke kenmerk van een waterloop. Dit karakter en de ermee verbonden eigenschappen zoals verval, substraatkenmerken, debiet,… oefenen een grote invloed uit op de aanwezigheid en verspreiding van organismen. Op basis van de hoeveelheid water (= het debiet) delen we stromend water verder op in (1) bronbeken en kwelstroompjes, (2) beken en rivieren en (3) grote rivieren. Een afzonderlijke groep wordt gevormd door de kunstmatige waterlopen (4).

 

Bronbeken en kwelstroompjes

Onder bronbeken verstaan we in verband met libellen die waterlopen waarvan vaak zowel de oorsprong als het begin van het beektraject gelegen zijn in een bosrijke omgeving, gekarakteriseerd door een rijke voorjaarsflora. Het zijn kleine beken die gekenmerkt worden door vrij helder en zuiver water. Het water heeft een redelijk constante temperatuur van 8-12°C en is, door contact tussen het bewegende water en de lucht, bijna volledig verzadigd met zuurstof. Bronbeken hebben een groot verval en bezitten een specifieke levensgemeenschap van stroomminnende soorten. Deze typen bronbeken zijn in Vlaanderen te vinden in de Leem- en Zandleemstreek aan de zuidgrens van Vlaanderen, op de grens met Wallonië: van het Westvlaamse Heuvelland, over de Vlaamse Ardennen, het Pajottenland, het Dijleland, Haspengouw en Zuid-Limburg tot Voeren. In bronbeken treffen we slechts weinig libellensoorten aan. De meest typische soort is de Gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii) die in Vlaanderen grotendeels beperkt is tot dit biotoop. De voornaamste bronbeken voor de Gewone bronlibel vinden we in de Vlaamse Ardennen (o.a. de Bovenlopen van de Zwalm) en het Dijleland ten zuiden van Leuven (Meerdaalwoud: Paddenpoel en Springputten).

Kwelstroompjes vinden we vooral terug in de Kempen. Uit de natte heide treedt er vaak diffuse kwel op die langzaam begint te stromen. Het water is meestal vrij voedselarm en stroomt door een open heidevegetatie. De oever is of volledig onbegroeid, of er komen afwisselend korte vegetaties met kale oeverstroken voor. Een kenmerkende soort voor kwelstroompjes in de Kempen is de Beekoeverlibel (Orthetrum coerulescens). Naarmate meer kwelstroompjes samenvloeien, ontstaat er een kleine Kempense beek. Indien die vrij snel door een bosrijke omgeving stroomt, zonder dat er vervuild water in terecht komt, is de kans groot dat hier ook de Gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii) wordt gevonden. Dit is onder meer zo langs de volgende Kempense beken: de Zijpbeek, de Asbeek, de Kikbeek, de Bolisserbeek en de Wurft te Dessel. Deze laatste is eigenlijk meer te beschouwen als een uitgebreid grachtenstelsel dan als een natuurlijke beek.

 

Beken en kleine rivieren

De meerderheid van de stromende waterlopen in Vlaanderen kunnen hierin ondergebracht worden. We rekenen hiertoe zowel de kleine als de grote beken uit de Kempen, Zandleem- en Leemstreek en de rivieren. De Kempense beken worden hoofdzakelijk gevoed door regenwater en een diffuus kwelgebied en vertonen een vrij lage productiviteit. Het water is er doorgaans matig zuur en kalkarm. Plaatselijk wordt het aangerijkt met kalkrijk kanaalwater dat afkomstig is van de Maas. Een heel specifiek biotoop in dit verband zijn de wateringen. Hoewel deze oude bevloeiingskanaaltjes een kunstmatige oorsprong hebben, rekenen we ze bij de categorie “Beken en kleine rivieren”. Het water stroomt er meestal zeer langzaam en is er een goed ontwikkelde oevervegetatie aanwezig. Op verschillende plaatsen in de Kempen (bv. Mol, Postel, Neerpelt, Lommel) is dit de plaats waar we de Bandheidelibel (Sympetrum pedemontanum) aantreffen.

De beken en rivieren in de Zandleem- en Leemstreek zijn van nature meer voedselrijke systemen en het water is er kalkrijker. Door verontreiniging en rechttrekking zijn zowel de waterkwaliteit als de structuur veelal gering. Daar waar de waterkwaliteit vrij goed is en de beek nog grotendeels in een bosrijke omgeving stroomt, komt de Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) voor zoals aan enkele kleine beken in de Kempen (bv. bovenlopen van het bekken van de Kleine Nete, Zijpbeek). Een andere belangrijke soort is de Beekrombout (Gomphus vulgatissimus), die bijna over de volledige loop van de Kleine Nete te vinden is. Beken die door een meer open landschap stromen en kleine rivieren zijn meestal vrij soortenarm wat libellen betreft. Karakteristieke soorten die we hier aantreffen zijn de Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens), de Breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes) en in mindere mate de Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula). De belangrijkste waterlopen voor deze soorten liggen in de Kempen. Daarbuiten zijn ook de Dijle, Laan, IJse, Velpe, Herk en Berwijn van belang voor libellen van stromend water. De Berwijn is uniek voor Vlaanderen, daar het de enige snelstromende rivier van Vlaanderen is. Hier komt dan ook een populatie van de Kleine tanglibel (Onychogomphus forcipatus) voor.

 

Grote rivieren

De enige grote rivieren in Vlaanderen zijn de Schelde en de Maas. Ze verschillen van de kleine rivieren door de grootte van hun stroomgebied en hun afmetingen. De waterplantenvegetatie is er doorgaans weinig ontwikkeld. De Schelde is gedeeltelijk een getijdenrivier en vertoont in Vlaanderen een natuurlijke gradiënt van zoet naar brak. Alhoewel de Schelde nog grotendeels een natuurlijke verloop heeft is de rivier niet interessant voor libellen. Dit heeft te maken met de vervuilingsgraad, de brakwaterinvloed (deel Zeeschelde), de sterke stroming en de hoeveelheid slib waardoor het water permanent troebel is. De Maas is de enige grindrivier in Vlaanderen. Op basis van de fysische kenmerken die hiermee samengaan, kan de Maas beschouwd worden als een uniek riviertype in Vlaanderen. De enige typische soort voor grote rivieren die in Vlaanderen voorkomt is de Rivierrombout (Gomphus flavipes), die we enkel langs de Maas aantreffen. De Grensmaas is ook van groot belang voor de Beekrombout (Gomphus vulgatissimus). Een aantal libellensoorten van beken en kleine rivieren komt er ook voor, bv. de Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) en de Breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes).

 

Kunstmatige waterlopen

Kunstmatige waterlopen worden gekenmerkt door een veel rechtlijniger patroon en door een geringe stroomsnelheid. Het peil en zelfs de stroomrichting worden vaak kunstmatig geregeld. Kunstmatige waterlopen komen voor in streken waar er, door geringe verschillen in het reliëf weinig gravitaire afwatering is, zoals in de Polders. Een tweede type bestaat uit kanalen die gegraven werden voor de scheepvaart en die overal in Vlaanderen te vinden zijn. Beide types bevatten vaak levensgemeenschappen die kenmerkend zijn voor stilstaande of tijdelijk stromende wateren. In de Polders betreft het dikwijls wateren die onder brakke invloed staan en bijgevolg voor slechts weinig libellensoorten geschikt zijn. De meest waardevolle kunstmatige waterlopen voor libellen zijn enkele kanalen in de Kempen (bv. Kempens kanaal).

 

Stilstaande wateren

Onder stilstaande wateren verstaan we plassen van uiteenlopende grootte en vorm waarvan het water (semi)stagnant is. Het kan zowel afkomstig zijn van regenwater als van grondwater en oppervlaktewater. Stilstaande wateren kunnen onderverdeeld worden op basis van voedselrijkdom, zuurgraad en omvang (grootte en diepte). De combinatie van deze drie factoren is sterk bepalend voor de vegetatie in het water en op de oever. We hebben getracht een opdeling in grote types weer te geven op basis van combinaties van die kenmerken en hun relevantie voor libellen. Tussen al deze types zijn er graduele overgangen te vinden, met vaak soorten die kenmerkend zijn voor beide “zuivere” vormen. We onderscheiden volgende types (1) hoogveen, (2) vennen, (3) voedselrijke wateren, (4) pioniersmilieus, (5) grote plassen en ontgrindingen, (6) brakwater en (7) tuinvijvers.

 

Hoogveen

In moerasgebieden waar het water moeilijk afvloeit treedt er veenvorming op. Dit veen wordt gevormd door de opstapeling van afgestorven plantenmateriaal dat, door het gebrek aan zuurstof - heel het pakket is immers met water verzadigd - niet afbreekt. Vooral veenmossen (Sphagnum) spelen een belangrijke rol bij het vasthouden van het water. Wanneer het water in deze veenlaag door zijn groei niet meer in contact komt met het grondwater en enkel nog gevoed wordt door regenwater spreekt men van hoogveen. Het water in hoogveen bevat nagenoeg geen voedingstoffen (zeer voedselarm) en is zuur. Goed ontwikkeld hoogveen komt in Vlaanderen niet meer voor. Op enkele plaatsen in de Kempen vinden we nog kleine stukjes met een hoogveenachtige vegetatie, zoals bij de Ronde Put te Mol-Postel en in de vallei van de Zijpbeek. Hoewel aan hoogveenplassen niet veel libellensoorten leven, komen er wel enkele zeer zeldzame soorten voor die (bijna) strikt gebonden zijn aan deze habitat. Als specialisten vermelden we de Hoogveenglanslibel (Somatochlora arctica) die een voorkeur heeft voor kleine slenkjes in het veen die gekenmerkt worden door een lichte kwelstroom en de in Vlaanderen uitgestorven Noordse glazenmaker (Aeshna subarctica). De meest algemene soorten die we aan hoogveen vinden zijn de Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa), de Watersnuffel (Enallagma cyathigerum), de Viervlek (Libellula quadrimaculata) en de Zwarte heidelibel (Sympetrum danae).

 

Vennen

Onder vennen verstaan we allerlei plassen op een voedselarme, zandige bodem. Ze komen hoofdzakelijk in de Kempen voor, maar we vinden ze ook in de Vlaamse Zandstreek. Vennen ontstaan in principe op plaatsen waar water stagneert op een ondoorlatende laag zoals een ondiepe klei- of leemlaag of een podzolbodem met ijzerlaag. Meestal zijn ze dan onafhankelijk van het grondwater en worden ze uitsluitend door neerslagwater gevoed. Ook compacte veenlagen, die ontstonden door samendrukking van veen door overstuiving, kunnen een ondoorlatende laag vormen. Water kan ook stagneren in depressies of plaatsen waar veen of turf werd gestoken, dat vroeger gebruikt werd als brandstof. Vennen kunnen tenslotte ook ontstaan door uitstuiving van duinen of dekzanden tot op de grondwatertafel. Deze vennen zijn maar zelden permanent en vallen vaak droog in de loop van de zomer. Onder vennen rekenen we ook de gegraven plassen op voedselarme, zandige bodems, evenals de kunstmatige vijvers die ontstonden door het afdammen van waterlopen op voedselarme, zandige bodems. We onderscheiden hier 3 types: (1) de matig zure en niet tot zeer zwak gebufferde vennen, (2) de verzuurde vennen en (3) de licht gebufferde vennen.

Het grootste deel van de vennen in Vlaanderen is van oorsprong voedselarm, matig zuur en niet tot zeer zwak bicarbonaat gebufferd. Aan de rand van het ven vinden we bulten van Pijpenstrootje (Molinia caerulea) met daartussen soorten als Snavelzegge (Carex rostrata), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Gagel (Myrica gale). Verder kenmerkend voor vennen is de aanwezigheid van veenmossen (Sphagnum). Wanneer in deze vennen de waterstand niet te veel schommelt en het ven beschut gelegen is kan er verlanding optreden. Veenmossen beginnen bulten boven het water te vormen en ertussen vestigen zich soorten als Beenbreek (Narthecium ossifragum), zonnedauw (Drosera) en snavelbies (Rhynchospora). De libellengemeenschap van deze vennen komt vrij goed overeen met die van hoogvenen. Karakteristieke soorten voor vennen zijn de Tengere pantserjuffer (Lestes virens), de Maanwaterjuffer (Coenagrion lunulatum), de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), de Venglazenmaker (Aeshna juncea), de Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia) en de Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda). Zelden worden echter al deze karakteristieke soorten samen gevonden. Volgende vier soorten zijn vrij algemeen en worden aan bijna alle types vennen gevonden: de Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa), de Watersnuffel (Enallagma cyathigerum), de Viervlek (Libellula quadrimaculata) en de Zwarte heidelibel (Sympetrum danae). Verder zijn er nog een aantal soorten die niet strikt gebonden zijn aan vennen maar er wel vaak geobserveerd worden en er ook populaties vormen. Het betreft soorten als de Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula), de Tangpantserjuffer (Lestes dryas) en de Smaragdlibel (Cordulia aenea). Enkele bekende voorbeelden van vennen zijn ondermeer het Bosven en de vennen van Achter de Witte Bergen in het gebied van de Zwarte Beek (Koersel-Beringen), verschillende vennen op het Militair domein (Sonnisheide) van Houthalen-Helchteren, en de vennen ‘In den Damp’ en Monnikswijer te Meeuwen.

Bij hydrologisch geïsoleerde vennen en door onvoldoende buffering kan zure neerslag leiden tot verzuring van deze voedselarme wateren en krijgen we verzuurde vennen. Het ven wordt niet alleen zuurder, maar ook de concentraties en de beschikbaarheid van nutriënten veranderen. Vaak krijgen we een ophoping van ammonium dat door de meeste oeverplanten minder goed als voedingstof kan worden opgenomen. In niet verzuurde vennen wordt ammonium omgezet tot nitraat, maar vanaf een pH van 4,1 stopt dit proces. Vaak wordt het ven niet alleen zuurder maar ook voedselrijker door atmosferische depositie, door de inlaat van gebiedsvreemd water of door inspoeling van meststoffen van aangrenzende landbouwpercelen. Door de hoge zuurgraad verloopt de afbraak van organisch materiaal trager en dit leidt tot een dikke modderlaag op de venbodem. Dergelijke vennen kunnen gemakkelijk worden herkend aan het “dode” zwarte water en een eentonige oevervegetatie van Pitrus (Juncus effusus). Door de combinatie van verzuring en vermesting verandert de libellenfauna. De enige soorten die doorgans nog overblijven in sterk verzuurde vennen zijn de Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa), de Watersnuffel (Enallagma cyathigerum), de Viervlek (Libellula quadrimaculata) en de Zwarte heidelibel (Sympetrum danae). Ze worden ook wel het ‘zure viertal’ genoemd en ze komen er meestal in zeer grote aantallen voor. Bij licht verzuurde vennen kunnen een aantal karakteristieke soorten wel nog overleven, sommige doen het hier blijkbaar zelfs beter. Dit laatste heeft vermoedelijk te maken met het wegvallen van predatoren van de larven. Vooral de Maanwaterjuffer (Coenagrion lunulatum), de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum) en de Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) doen het nog vrij goed in dit milieu. Voorbeelden van dit type zijn de Kalmthoutse heide en het Groot Schietveld te Brecht- Wuustwezel. Ook enkele vennen in de Limburgse Hoge Kempen als het Breedven (Mechelse heide), Turfven, Ruiterskuilen en Kruisven vertonen dit karakter.

In van nature matig zure vennen die licht gebufferd zijn vinden we soorten als Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis), Vlottende bies (Scirpus fluitans), Pilvaren (Pilularia globulifera), Moerashertshooi (Hypericum elodes), Oeverkruid (Littorella uniflora) en Waterlobelia (Lobelia dortmanna). Het bufferende vermogen hangt af van het gehalte aan in het water opgeloste ionen, dat zich uit in hogere concentraties bicarbonaat en calcium. Daardoor zijn deze vennen minder gevoelig voor verzuring. De aanvoer van deze ionen kan gebeuren door de toevoer van grondwater, door geringe mineralisatie van organische stoffen en vroeger vaak door de aanvoer van voedingsstoffen door menselijke activiteiten (bv. het wassen van schapen, of van een beetje mest en urine). Door een constante toestroom van grondwater vallen deze vennen nooit droog. Dit alles zorgt voor een gediversifieerde plantengroei met een vrij ijle en gevarieerde structuur. Hierdoor kunnen ze tot de meest soortenrijke libellenhabitats in Vlaanderen gerekend worden. Enkele van onze zeldzaamste soorten vinden we in deze habitat, nl. de Speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum) en de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis). Behalve de vier algemene vensoorten komen hier ook de Tengere pantserjuffer (Lestes virens), de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), de Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia) en de Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) voor. Bij vennen die iets minder zuur en iets voedselrijker zijn vinden we (vrij) algemene soorten als Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella), Smaragdlibel (Cordulia aenea) en enkel karakteristieke soorten als de Bruine winterjuffer (Sympecma fusca), de Gevlekte glanslibel (Somatochlora flavomaculata) en de Kempense heidelibel (Sympetrum depressiusculum). Deze laatste groep soorten van matig voedselrijke vennen komt ook voor in matig voedselrijke plassen. Voorbeelden van gebieden waar dit type belangrijk is, zijn De Teut te Zonhoven, en de vallei van de Zijpbeek en Asbeek in Rekem-Lanaken. Ook delen van het vennengebied van Ravels en Turnhout (o.a. Zwart Water), delen van het Hageven te Neerpelt, de Zegge te Geel, Den Diel en de Maat te Mol- Postel, behoren tot dit type.

 

Voedselrijke wateren

Het begrip ‘voedselrijke plas’ wordt heel dikwijls onterecht geassocieerd met een geëutrofieerde plas (hypertrofe) of zelfs een vervuilde plas. Een voedselrijke plas is echter het type water dat in grote delen van Vlaanderen het meest voorkomt. Onder voedselrijke wateren verstaan we poelen, sloten, bomkraters, visvijvers, afgesneden rivierarmen en de grotere plassen in zand- en kleigroeven. Doordat deze plassen vaak in contact staan met vervuild oppervlaktewater is de waterkwaliteit er inderdaad dikwijls minder goed. Het in- en uitspoelen van meststoffen en de aanvoer van huishoudelijk en industrieel afvalwater zorgen voor een toename van voedingsstoffen waardoor eutrofiëring optreedt. Dit versnelt de plantengroei, met een verandering in de samenstelling en structuur van de vegetatie tot gevolg. Deze voedselaanrijking kan tot enorme algenbloei leiden waardoor het zuurstofgehalte in de plas te laag wordt voor veel organismen en zeker voor libellenlarven. De effecten van eutrofiëring worden nog versterkt door het overmatig bepoten met vis, waarbij soorten als Brasem (Abramis brama) door hun gedrag voor extra troebelheid van het water zorgen. Hierdoor verdwijnen waterplanten en uiteindelijk hebben de libellenlarven geen schuilplaatsen meer.

De voedselrijke wateren kunen nog verder onderverdeeld worden, op basis van de voedselrijkdom. Een eerste groep omvat plassen die matig voedselrijk zijn. Het water is helder en de plas wordt niet aangerijkt. Ze leunen aan bij de matig voedselrijke vennen en ook een aantal typische libellensoorten kan in beide types water gevonden worden. Veel van deze matig voedselrijke wateren zijn afgesneden rivierarmen. De bodem bestaat er uit een venige laag. Ze worden ook wel laagveenplassen of –moerassen genoemd. Doordat het water vrij helder is, vinden we er een goed ontwikkelde vegetatie van ondergedoken en drijvende waterplanten. Typische soorten zijn verschillende fonteinkruiden (Potamogeton) en verder Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae), Kleine egelskop (Sparganium emersum), kranswieren (Chara) en zelfs Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) en Slangenwortel (Calla palustris). De oevervegetatie van deze plassen wordt vaak gedomineerd door Riet (Phragmites australis) en lisdodde (Typha). Na verloop van tijd treedt verlanding op, tot er zich tenslotte een moerasbos heeft gevormd. Indien er nog vrij veel open water aanwezig is en het aandeel drijvende waterplanten eerder beperkt is, vinden we hier karakteristieke soorten als Glassnijder (Brachytron pratense), Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles) en Bruine korenbout (Libellula fulva). Op de iets voedselrijkere plassen komen meer drijvende waterplanten voor. Het lijstje met typische libellensoorten wordt hier aangevuld met de Variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum), de Grote roodoogjuffer (Erythromma najas) en de Bruine winterjuffer (Sympecma fusca). Bij een ver gevorderde verlanding wordt dit de biotoop voor de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis). Naast deze voor dit type water karakteristieke soorten vinden we hier ook meer algemenere soorten als Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula), Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella), Bruine glazenmaker (Aeshna grandis), Smaragdlibel (Cordulia aenea) en Metaalglanslibel (Somatochlora metallica). Tot de matig voedselrijke plassen, één van de soortenrijkste en waardevolste libellenhabitats in Vlaanderen, behoren ondermeer de kleiputten in de Antwerpse Noorderkempen (Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout, Ravels), het broekgebied in Noordoost-Limburg (Stamprooierbroek, Smeetshof, Lozerheide) en de best bewaarde gebieden in de Scheldevallei (Damvallei, Klein-Brabant, Rupelmondse kreek). Dit type water sluit aan bij de matig voedselrijke vennen. De belangrijkste daarvan vinden we in het Hageven te Neerpelt, Den Diel en de Maat te Mol-Postel.

Naarmate de voedselrijkdom toeneemt, stijgt ook het aandeel drijvende waterplanten, vooral Gele plomp (Nuphar lutea) en in mindere mate Witte waterlelie (Nymphaea alba). Andere vaak aanwezige waterplanten zijn Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum) en Gedoornd hoornblad (Ceratophyllum demersum). Dit is de voorkeursbiotoop voor soorten als Grote roodoogjuffer (Erythromma najas) en Variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum). Algemene soorten die hier voorkomen zijn het Lantaarntje (Ischnura elegans), de Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella), de Kleine roodoogjuffer (Erythromma viridulum), de Smaragdlibel (Cordulia aenea), de Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) en de laatste 10 jaar (2006) ook de Kanaaljuffer (Erythromma lindenii) en de Vuurlibel (Crocothemis erythraea). De belangrijkste wateren van dit type zijn afgesneden rivierarmen in de valleien van de Leie, maar vooral van de Schelde: oude Scheldearmen vanaf Avelgem tot Oudenaarde, de Damvallei bij Gent, de Donkvijver te Overmere, verschillende wielen en oude armen in Klein-Brabant evenals de kreken en plassen te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. Een ander belangrijk gebied is de Blankaart, een oude turfontginning, te Diksmuide.

In veel erg voedselrijke plassen is het water troebel en wordt de waterplantenvegetatie gekenmerkt door verschillende kroossoorten (Lemna), ondergedoken waterplanten zijn vaak afwezig. De plassen hebben een weelderige oevervegetatie met verschillende ruigtekruiden. We vinden hier ondermeer Liesgras (Glyceria maxima), Riet (Phragmites australis), Watermunt (Mentha aquatica), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Wilgenroosje (Epilobium), Moerasspirea (Filipendula ulmaria) en verschillende soorten grote zeggen (Carex). Libellensoorten die we hier bijna steeds aantreffen zijn het Lantaarntje (Ischnura elegans), Kleine roodoogjuffer (Erythromma viridulum), Grote keizerlibel (Anax imperator) en Bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum). Indien deze plassen omgeven zijn door veel bomen en struiken kunnen we er tevens de Houtpantserjuffer (Lestes viridis) en de Blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea) verwachten. In kleine bospoelen is deze laatste vaak de enige soort.

 

Pioniersmilieus

Hiertoe rekenen we allerlei kleine, eerder ondiepe wateren die recent ontstonden. Dit kunnen zowel plassen in zand- of kleigroeven zijn, recent gegraven veedrinkpoelen als plassen op opgespoten terreinen, industriegronden of voormalige mijnterreinen. In regel zijn deze plassen permanent waterhoudend of vallen ze hoogstens tijdens de zomer gedurende een korte periode droog. De vegetatie is er nog in volle ontwikkeling. Het ondiepe water kan snel opwarmen en indien de plas beschut is tegen de wind, vormt dit een ideaal biotoop voor warmteminnende, waaronder tal van zuidelijke soorten. Dergelijke plassen komen overal verspreid in Vlaanderen voor. Momenteel vinden we de interessantste pioniersplassen vooral in het havengebied van Antwerpen-Linkeroever (Doel-Kallo) en in de Gentse kanaalzone. De meest typische soort voor dit type biotoop is ongetwijfeld de Tengere grasjuffer (Ischnura pumilio), maar ook de Platbuik (Libellula depressa) en de Bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum) vertonen een voorkeur voor dit milieu. Pioniersplassen in het Antwerpse havengebied vormen ook het voortplantingsbiotoop van de Zuidelijke heidelibel (Sympetrum meridionale) in Vlaanderen. Een andere zuidelijke soort die vrij frequent aan pioniersplassen wordt waargenomen is de Zwervende heidelibel (Sympetrum fonscolombii). Wanneer in dergelijke milieus nog kwel optreedt, zoals in de Oostelijke Kempen, kunnen enkele zeldzaamheden aanwezig zijn zoals de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), de Beekoeverlibel (Orthetrum coerulescens) en de Zuidelijke oeverlibel (Orthetrum brunneum).

 

Grote plassen en ontgrindingen

Hieronder verstaan we alle kunstmatige waterpartijen met een grote oppervlakte en behoorlijke diepte. De meeste van deze gebieden ontstonden de laatste tientallen jaren door het delven van zand en klei, of grondwinning voor allerlei infrastructuurwerken. Slechts enkele plassen van dit type dateren van vóór 1940. Behalve door hun omvang (oppervlakte en diepte) worden ze gekenmerkt door hun ligging in een vrij open landschap, door meestal steile oeverprofielen en door een bijna volledige afwezigheid van water- en oeverplanten. Een goed voorbeeld van dit type zijn de grindplassen in de Limburgse Maasvallei. De meeste van deze wateren zijn slechts van gering belang voor libellen. Typische soorten zijn de Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum), de Grote Keizerlibel (Anax imperator) en het Lantaarntje (Ischnura elegans).

In enkele oudere grote plassen die al lang niet meer verstoord worden door graafactiviteiten of ontgrindingen, kon zich de laatste decennia een waterplanten- en oevervegetatie ontwikkelen. Dit is het geval in tal van grote plassen langsheen autosnelwegen, zoals bv. in De Gavers te Harelbeke, de Blaarmeersen te Gent, Blokkersdijk te Antwerpen-Linkeroever, de plas langs de autosnelweg te Retie en de zandplassen te Mol. In de meeste van deze plassen is het water vrij voedselarm, sommige zijn zelfs echt oligotroof, alhoewel er ook enkele eutroof zijn. Een kenmerkende soort voor dit type is de Plasrombout (Gomphus pulchellus). Ook de Kanaaljuffer (Erythromma lindenii), de Kleine roodoogjuffer (Erythromma viridulum) en de Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) komen hier frequent voor.

 

Brakke wateren

Dit habitat wordt gekenmerkt door chloridenconcentraties van meer dan 300 mg/l. Brak water is te vinden in de sloten en kreken van de Polders. Slechts een heel beperkt aantal soorten kan zich nog voortplanten in licht brak water. Het Lantaarntje (Ischnura elegans) is de talrijkste soort, maar ook de Paardenbijter (Aeshna mixta) en de Bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) kunnen er voorkomen.

 

Tuinvijvers

Sinds 1950 nam de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen sterk toe. Momenteel wordt ongeveer 25% van de oppervlakte ingenomen door een of ander type bebouwing (wonen / industrie / infrastructuur). Gelijktijdig met de woonuitbreiding, werden tuinvijvers de laatste decennia populair. Tuinvijvers vinden we vooral terug in de residentiële wijken aan de rand van steden en gemeenten. Door hun groot aantal is het belang van tuinvijvers als “nieuw” libellenbiotoop zeker niet te negeren. Indien men bij de aanleg rekening houdt met een aantal criteria, zoals zachtglooiende oevers en een zonnige ligging, kunnen tuinvijvers immers aantrekkelijk zijn voor tal van soorten. De meest voorkomende soort is ongetwijfeld het Lantaarntje (Ischnura elegans), gevolgd door de Blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea), Bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum), Grote keizerlibel (Anax imperator) en Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella). In totaal werden al meer dan 30 soorten libellen waargenomen aan tuinvijvers. Verschillende hiervan zijn vrij zeldzaam of behoren tot de Rode lijst, bv. Bruine winterjuffer (Sympecma fusca), Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), Venglazenmaker (Aeshna juncea) en Gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii). Veel algemene soorten planten zich in tuinvijvers voort. Voor een aantal zeldzame soorten vormen tuinvijvers eerder een tijdelijk jacht- of rustgebied. Ze fungeren zo als verbindingsgebied tussen waterrijke biotopen en als ‘stapsteen’ tijdens kolonisatie van nieuwe gebieden.