Grote roodoogjuffer - Erythromma najas

ln tekstfoto224

Areaal

Erythromma najas komt voor in grote delen van Europa, maar de soort ontbreekt in het mediterrane gebied (inclusief het Iberisch Schiereiland). Ze is verspreid van Zuid-Engeland tot de Oeral en van Zuid-Frankrijk tot Midden-Scandinavië. De Grote roodoogjuffer komt buiten Europa voor oostwaarts tot Oost-Siberië en zuidwaarts tot de Kaspische zee en de Kaukasus.

 

Waarnemingen

 

GroteRoodoogjuffer bvp

mannetje
@Brigitte Van Passel

 

Verspreiding in België (2006)

Vrij algemeen. De Grote roodoogjuffer komt verspreid voor in alle Vlaamse provincies. In Wallonië is ze schaarser, met uitzondering van de Lorraine en in het zuiden van het gebied tussen Samber en Maas.

 

Evolutie van de verspreiding

Er zijn weinig waarnemingen van E. najas van vóór 1950, en deze zijn vooral afkomstig uit Vlaanderen. In de recentere periodes lijkt de verspreiding toegenomen. Het verhoogde aantal gegevens is waarschijnlijk minstens gedeeltelijk het gevolg van een toegenomen waarnemingsintensiteit.

 

Habitat

E. najas komt voor aan allerlei waterplassen die gekenmerkt worden door een goed ontwikkelde drijvende en ondergedoken waterplantenvegetatie, vooral van Gele plomp (Nuphar lutea) en Witte waterlelie (Nymphaea alba). Ze vliegt heel frequent aan oude rivierarmen. De Grote roodoogjuffer plant zich ook voor aan langzaam stromend water (bv. de middenloop van de Ourthe) met veel waterplanten zoals fonteinkruiden (Potamogeton). De aanwezigheid van ondergedoken stengels en bladeren van waterplanten is belangrijk voor de eiafleg. Zoals de Kleine roodoogjuffer (E. viridulum) zit de Grote roodoogjuffer heel dikwijls op drijvende waterplanten.

 

Fenologie

De hoofdvliegperiode van de Grote roodoogjuffer gaat van de tweede decade van mei tot en met de tweede decade van augustus, met een piek van eind mei tot half juni. Uiterste data zijn 21 april en 20 september. E. najas vliegt over het algemeen iets vroeger dan de nauwverwante E. viridulum.

 

Literatuur

Anselin (1980), De Knijf et al. (1996).