Plasrombout - Gomphus pulchellus

ln tekstfoto224

Areaal

Een endemische soort voor Zuidwest-Europa die de laatste tientallen jaren haar areaal naar het noorden en het oosten heeft uitgebreid. Gomphus pulchellus komt voor van het zuiden van het Iberisch Schiereiland over Frankrijk en de Benelux tot Noord-Duitsland. Uit Italië, Slovenië en Oostenrijk zijn er slechts enkele vindplaatsen gekend.

 

Waarnemingen

 

PlasromboutM RobertPieters

mannetje
@Robert Pieters

 

Verspreiding in België (2006)

Vrij algemeen. G. pulchellus komt vrij verspreid voor en vertoont in Vlaanderen een voorkeur voor de Kempen en de Zandstreek in het noorden van Westen Oost-Vlaanderen. In Wallonië lijkt ze talrijker aanwezig te zijn in de Fagne-Famenne en in de Lorraine. In de Leemstreek (o.a. vallei van de Haine, omgeving Nijvel) en de Ardennen is ze lokaal vrij talrijk te noemen, maar ze ontbreekt er echter in grote delen.

 

Evolutie van de verspreiding

De eerste waarnemingen van G. pulchellus dateren al van vóór 1850. Uit de databankgegevens blijkt dat ze tot ongeveer 1925 vrij algemeen voorkwam. Ook Selys beschouwde ze als algemeen verspreid. Tussen 1930 en 1960 waren er maar weinig waarnemingen en was ze (zeer) zeldzaam, een fenomeen dat ook in Nederland werd vastgesteld. Vanaf de jaren ’60 neemt G. pulchellus langzaam toe. Een sterke toename wordt pas duidelijk begin jaren ’80 en deze toename blijkt, zij het in minder mate, nog steeds door te gaan. Dit is slechts gedeeltelijk te wijten aan een gestegen waarnemingsintensiteit. Van G. pulchellus is er namelijk de laatste decennia in geheel Noordwest-Europa een duidelijke toename merkbaar.

 

Habitat

G. pulchellus is in België vooral te vinden aan eerder grote plassen, zoals in diverse groeven (o.a. langs autowegen), oude rivierarmen en vijvers, bij voorkeur op een zandige bodem. De plassen worden gekenmerkt door het grotendeels ontbreken van drijvende en ondergedoken waterplanten; en delen van de oever hebben er een kale bodem. In mindere mate bevolkt deze Gomphide ook kalmere delen van rivieren, beken en kanalen. De larven leven ingegraven in een bij voorkeur fijnzandige bodem.

 

Fenologie

Waarnemingen zijn afkomstig van begin mei tot de derde decade van augustus. De grootste aantallen worden echter waargenomen tussen eind mei en begin juli. Uiterste data zijn 2 mei en 25 augustus.

 

Literatuur