Bruine winterjuffer - Sympecma fusca

ln tekstfoto224

Areaal

Sympecma fusca komt in heel Midden- en Zuid- Europa voor. Noordwaarts wordt ze zeldzamer en is ze te vinden tot aan de Noordzee en de Oostzee; ze ontbreekt echter in Groot-Brittannië en Scandinavië. Naar Midden- en Zuidoost-Europa wordt ze steeds talrijker en is bv. in Hongarije de soort met de meeste vindplaatsen. Naar het oosten toe reikt het areaal over het Midden-Oosten en de Kaukasus tot Centraal-Azië. Ook uit Noord-Afrika is ze bekend.

 

Waarnemingen

 

BruineWinterjuffer ErikMoonen

copula
@Erik Moonen

 

Verspreiding in België (2006)

Vrij zeldzaam. Populaties van deze soort vinden we vooral in de Kempen. Vindplaatsen van S. fusca buiten de Kempen situeren zich vooral in West- en Oost-Vlaanderen, de Westelijke Borinage en de Lorraine. Slechts op enkele van die plaatsen is er sprake van (vaak éénmalige) voortplanting. S. fusca heeft vermoedelijk een goed dispersievermogen (passief met de wind?) en kan zo in de nazomer op allerlei warme plaatsen worden aangetroffen, tot op tientallen kilometer verwijderd van geschikt voortplantingshabitat.

 

Evolutie van de verspreiding

Waarnemingen van vóór 1950 zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de Kempen. Uit Wallonië was ze slechts bekend van enkele vindplaatsen. Dit komt overeen met het verspreidingsbeeld van de 19de eeuw. Selys vond ze “veelal op kapvlaktes, vooral in Condroz, Ardennen en Kempen”. Vermoedelijk was de soort tot begin jaren ’70 vrij algemeen verspreid in Vlaanderen en in mindere mate ook in Wallonië. Nadien verdween ze van verschillende vindplaatsen. Het dieptepunt situeerde zich halfweg de jaren ’80. Sinds 1991 werd ze op verschillende nieuwe plaatsen, vooral in de provincies West- en Oost-Vlaanderen, de vallei van de Haine en de Lorraine waargenomen. Ook in de Kempen werd ze in verschillende nieuwe gebieden gevonden. Dit fenomeen stelde men ook in Nederland vast. Het warme weer alsook een toegenomen waarnemingsintensiteit en grote fluctuaties in de populaties van S. fusca aan de noordgrens van haar areaal zouden hierin een belangrijke rol kunnen spelen.

 

Habitat

De voortplantingsbiotoop van de Bruine winterjuffer bestaat uit matig voedselarme tot voedselrijke wateren zoals vennen, oude rivierarmen, voormalige zandgroeven en laagveenplassen. Van groot belang voor de larvale ontwikkeling is dat het water snel opwarmt. De plassen worden gekenmerkt door een goed ontwikkelde oevervegetatie met soorten als Riet (Phragmites australis) en zeggen (Carex). In de onmiddellijke omgeving komt er struikgewas en bos voor. In de nazomer verkiest ze warme zonnige bosranden, open plekken in het bos of structuurrijke heide om voedsel te zoeken en overwintert er in struikgewas en bos. Als ei-aflegsubstraat verkiest ze drijvende, afgestorven of rottende plantendelen, vaak Riet.

 

Fenologie

De Bruine winterjuffer is de enige inheemse libel die als adult overwintert. Ze wordt actief op de eerste warme voorjaarsdagen, soms al tijdens de eerste decade van maart maar meestal pas vanaf begin april, en ze kan waargenomen worden tot half juni. Van half juli tot begin oktober zijn er terug imago’s te vinden. Uit de periode half juni tot half juli zijn er slechts weinig waarnemingen. Uiterste data zijn 1 maart en 29 oktober.

 

Literatuur

Hoste (1992), De Knijf (1994b), Verscheure (1994), Bonte (1998), Geenen et al. (1999).