Kempense heidelibel - Sympetrum depressiusculum

ln tekstfoto224

Areaal

Het areaal van Sympetrum depressiusculum omvat Frankrijk, de Benelux, Duitsland, Noord-Italië, Midden- en Oost-Europa en loopt oostwaarts door over Centraal-Azië en Mongolië tot Japan. In Westen Midden-Europa komt S. depressiusculum slechts plaatselijk voor en is overal zeldzaam tot zeer zeldzaam. De soort bereikt in Vlaanderen de westgrens van haar verspreidingsgebied.

 

Waarnemingen

 

KempenseHeidelibelM TimRaats 

mannetje
@Tim Raats

 

Verspreiding in België (2006)

Zeldzaam. Is beperkt tot de Antwerpse en Limburgse Kempen. De hoogste aantallen en de grootste populaties zijn te vinden in de Antwerpse Oosterkempen (Dessel, Geel, Mol, Retie) en het aangrenzende deel van Limburg (Lommel, Neerpelt). Ook in Midden-Limburg (Genk, Houthalen, Zonhoven) en in de Antwerpse Zuiderkempen (Herselt, Westmeerbeek) komen er meerdere grote populaties voor. Uit Wallonië zijn er geen recente waarnemingen.

 

Evolutie van de verspreiding

Waarnemingen tot 1950 zijn grotendeels afkomstig uit de Kempen. In de 19de eeuw is ze volgens Selys “beperkt tot de Kempen waar ze slechts lokaal voorkomt”. Op enkele plaatsen in Midden-Limburg was ze toen plaatselijk zeer talrijk. In de periode tot 1950 zijn er ook enkele waarnemingen van zwervende dieren bekend uit Wallonië (Semois, Lesse, Hermeton), uit Brussel en uit de Westhoek. In 1954 werd ze waargenomen in Henegouwen (Beloeil). In vergelijking met de periode vóór 1990 blijkt S. depressiusculum nu in een groot deel van de Antwerpse Kempen voor te komen. Met uitzondering van de Oosterkempen zijn de aantallen op de nieuwe lokaties meestal klein, waardoor populaties vermoedelijk slechts kunnen blijven voortbestaan door immigratie van individuen uit de kernpopulaties. Alle waarnemingen van buiten de Kempen hebben betrekking op zwervende exemplaren en bijgevolg is het hoogst onwaarschijnlijk dat er in de rest van België ooit populaties aanwezig zijn geweest. De laatste jaren wordt ze op tal van lokaties niet meer waargenomen.

 

KempenseHeidelibelV TimRaats

vrouwtje
@Tim Raats

 

Habitat

S. depressiusculum heeft in de Kempen een voorkeur voor matig voedselrijke vennen, visvijvers en plassen met ondiepe moerassige zones. De moerasvegetatie is er vrij ijl en de plas wordt omgeven door een structuurrijke vegetatie (struiken, bomen). Ook komt de soort voor aan de wateringen, waar de inlaat van kalkrijk kanaalwater vermoedelijk een gunstig effect heeft op de populatiegrootte. De visvijvers worden in de herfst/winter regelmatig volledig leeggelaten. Een laag waterpeil tijdens de periode van larvale ontwikkeling, samen met een ijle vegetatie en een gunstige thermische ligging zorgen ervoor dat het water snel kan opwarmen en aldus geschikt is voor de larven. Adulten verkiezen heideveldjes en moerassige vegetaties in de nabijheid van water om te foerageren.

 

Fenologie

De eerste individuen van de Kempense heidelibel sluipen uit eind juni en dit gaat door tot half augustus. Adulten kunnen nadien nog worden waargenomen tot half september. De piek in de vliegperiode situeert zich in augustus. De vroegste waarneming dateert van 23 mei 1990 toen enkele duizenden pas uitgeslopen individuen werden waargenomen bij koelwatervijvers van een fabriek te Lommel. Dit is meteen de allervroegste datum in Europa. Uiterste waarnemingsdatum is 19 september.

 

KempenseHeidelibelMNU TimRaats

mannetje - imago niet uitgekleurd
@Tim Raats

 

Literatuur

Michiels & Dhondt (1987), Jannis (1990), Verbeek (1999).