Nieuws

In maart namen Geert De Knijf en ikzelf deel aan het jaarlijkse studieweekend van de Duitstalige Libellenonderzoekers. Na een lange rit over Duitslands autowegen kwamen we de vrijdagavond laat in Dresden aan. Het eerste avondlijke samenzijn, traditiegetrouw georganiseerd in één of andere biertent - we zijn tenslotte in Duitsland -, lieten we aan ons voorbij gaan. Na het avondeten kropen we maar meteen onder de wol.

De studieweekends brengen telkens minimum een 100 tot 150 libellenexperten bijeen, zowel professionelen als vrijwilligers. De voordrachten behandelen een zeer brede waaier van onderwerpen. Zowel natuurbescherming en -beheer, habitat- en biotoopkeuze, algemene ecologie, taxonomie als gedragsonderzoek komen aan bod. Naast een meerderheid Duitsers zijn er bijna altijd ook een 10 tot 15 buitenlandse deelnemers uit o.a. Zwitserland, Oostenrijk, Polen, Nederland en België. De voordrachten zijn zo goed als allemaal in het Duits: een goede gelegenheid om onze taalkennis weer wat op te halen! Er zijn ook altijd interessante boekenstanden aanwezig, ...zeer gevaarlijk!

Dresden is de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saksen. De bijeenkomst ging door in zalen van de vereniging "Natur und Umwelt", een mooi historisch gebouw op de rechteroever van de Elbe. Het lag net aan de overzijde van de na de tweede wereldoorlog herbouwde Altstadt. De "Akademie der Sächsischen Landesstiftung"(van de deelstaat) zorgde voor financiële steun.

 

Zaterdag 10 maart 2007

In de eerste morgensessie kwamen algemene faunistische onderwerpen aan bod: vooral inventarisaties en veranderingen van odonatofauna over lange termijn. • M. Nuss besprak de libellenfauna van de stad Dresden, die binnen de stedelijke begrenzing (330 km2) 42 soorten herbergt, waaronder een opvallend hoog aantal van waterlopen zoals o.a. Ophiogomphus cecilia en Gomphus flavipes (beide Natura 2000 bijlage-soorten), die zich zelfs langsheen de Elbe (!) kunnen blijven voortplanten. Interessant was ook dat een in de stad recent aangelegde plas binnen een periode van 4 jaar door niet minder dan 8 soorten werd gekoloniseerd. • J. Phoenix en P. Bendagaven vervolgens een overzicht van de fauna in het stroomopwaarts van Dresden gelegen Nationaal Park "Sächsisch-Böhmischen Schweiz" een zeer geërodeerd zandsteengebergte met grote microklimatologische verschillen. • H-J Clausnitzer belichtte de veranderingen in soortensamenstelling in een heide-hoogveenzone in de Luneburger Heide (noord-Duitsland). Een aantal recente veranderingen komen overeen met wat ook in Vlaanderen in een aantal Kempense gebieden opgemerkt wordt. Opvallend is dat door een verandering in visvijverbeheer de populaties van Sympetrum depressiusculum sterk gedaald zijn. Ook in de Vlaamse Kempen zijn er aanwijzingen voor een achteruitgang, het lijkt noodzakelijk over deze Rode Lijst-soort (categorie: Kwetsbaar) dringend informatie in te winnen over het gevoerde (en geplande) beheer in de leefgebieden in de Kempen. • E. Schmidteindigde deze eerste sessie met een verhaal over de achteruitgang van de libellenfauna op een klein Noordfries eiland Amrum, met als voornaamste oorzaak de toenemende vegetatievraat van pleisterende populaties Grauwe Ganzen, waardoor veel voor libellen geschikte habitats volkomen gedegradeerd worden!

De tweede morgensessie gaf een aantal onderzoeken gericht op libellenbescherming en beheer of restauratie van habitats. • R. Bernard en T. Schmitt onderzochten de genetische verscheidenheid van een aantal populaties vanNehalennia speciosa in Polen. Hun conclusies waren dat deze diversiteit extreem laag is (vergeleken met een aantal andere invertebraten zoals vlinders) wat als gevolg heeft dat ze een zeer laag ecologische potentiaal hebben: ze zijn goed aangepast aan nauwe ecologische vereisten en zijn hierdoor zeer kwetsbaar bij veranderingen in de habitat. Momenteel wordt dit onderzoek verder uitgebreid tot de zeer grote populaties in Siberië, om hier ook de genetische eigenschappen te bepalen. • Zowel H. Burbach, K-J Conze als H. Donathbelichtten elk de mogelijkheden en resultaten van specifieke soortenbeschermingsplannen als algemene restauratie van habitats voor libellen, waarbij libellen ook gebruikt worden als indicatoren om deze restauraties te evalueren.

De eerste namiddagsessie bestond uit drie voordrachten in relatie met soortbescherming en meer specifieke beheersvoorstellen en toepassingen. • J. Ott besprak het beschermingsplan voor Oxygastra curtisii (Natura 2000 bijlage soort) dat in opdracht van de overheid van de deelstaat Rheinland-Pfalz werd opgesteld voor de verschillende vliegplaatsen van de soort in hun grondgebied. Aan de hand van inventarisatie, gedragsonderzoek en gedetailleerde habitatkeuze zowel van larven als van adulten, gedurende twee jaar, werd een gedetailleerd plan opgemaakt (en gepubliceerd in boekvorm). • C. Schmidt en B. Hachmöller gaven een overzicht van bedreigingen door slecht maaibeheer langs waterloopjes waar de vrij zeldzame Coenagrion ornatum voorkomt. Een meer gestratifieerd beheer in ruimte en tijd wordt voorgesteld, rekening houdend met de biotoop en uitsluipplaatsen van de larven en activiteitsrange van de adulten. • C. Heitz stelde beheersmaatregelen voor die binnen Baden-Wurtemberg zouden moeten algemeen aangenomen worden bij het beheren van beken. Dit zou in het bijzonder ten goede komen aan Coenagrion mercuriale (Natura-2000 bijlage soort) maar ook aan een groot aantal andere soorten van deze habitat.

Tijdens de tweede namiddagsessie werden twee libellenatlasprojecten voorgesteld. • G. De Knijf en A. Anselingaven de resultaten van het Belgische atlasproject. We overhandigden hierbij een exemplaar van het boek aan de organisator van de studiedagen, Thomas Brockhaus. • P. Buczýnski en collega’s (Polen) stelden het project van de Poolse verspreidingsatlas voor (2005-2009).

De derde namiddagsessie kwamen gevarieerde onderwerpen aan bod. • M. Marinov (Bulgarije) sprak over de huidige kennis van verspreiding van libellen in Bulgarije en belichtte een aantal taxonomische problemen. In 1999 werd in Bulgarije nog een nieuwe soort voor Europa gevonden. • A. Martens evalueerde in hoeverre een aantal in Duitsland waargenomen soorten kunnen beschouwd worden als ‘Neozoën’ (exoten), als reactie op een recente publicatie hierover waarbij enkele soorten werden voorgesteld in een recente publicatie. Dit werd weerlegd. Er wordt aangedrongen om duidelijke criteria op te stellen om libellen als exoten te bestempelen. • T. Brockhaus stelde het project voor een nationale libellenatlas voor. Tot nu toe worden atlassen per deelstaat gemaakt, maar een gezamenlijk nationaal project naar de toekomst toe zou een meerwaarde betekenen. In aansluiting hiervan werd een dataprogramma voorgesteld dat hierbij zou kunnen gebruikt worden, met een groot aantal mogelijkheden en directe linking naar gedetailleerde GIS-kaarten, door T. Kochbach en D. Augustin. • De namiddagsessie werd afgesloten door de voorstelling van het Europese libellenatlasproject door Vincent Kalkman (Nederland). Men zou tegen 2010 klaar willen zijn met een publicatie in boekvorm, waarbij de verspreiding per UTM-grid van 50x50 km zal gebruikt worden. Momenteel worden nog enkele nationale coördinatoren gezocht. In landen met weinig medewerkers worden "witte gebieden" opgevuld aan de hand van doelgerichte expedities.

Na deze voordracht volgde de bestuursvergadering van de organisatie met jaarverslag en verkiezing van nieuw bestuur. Naar aloude traditie was er ’s avonds een gezamenlijke maaltijd en gezellig samenzijn waarbij overzichten gegeven werden van bezoeken aan Japan en China. Leuk was wel dat Geert en ik aan tafel zaten met o.a. Milen Marinov en zijn elfjarige zoon Boris, "de" Boris van Somatochlora borisi, een nieuwe soort glanslibel die door zijn vader in 1999 in Bulgarije werd ontdekt.

 

Zondag 11 maart 2007

De eerste morgensessie werd ingeleid door K. Koch en collega’s die specifiek onderzoek verricht naar de relatie tussen ovariumstructuur en eileggedrag van een aantal libellensoorten. Het onderzoek is nog niet beëindigd maar enkele eerste resultaten werden voorgesteld. • A. Günther besprak enkele aspecten van het gedrag van een Aziatische libellensoort die leeft aan beken, maar waarvan nog weinig over de ecologie bekend is. Ook dit waren de eerste resultaten van een onderzoek dat nog verder moet gezet worden. • F. Weihrauch weerlegde aan de hand van bewijzen van habitatkeuze en vergissingen in etikettering van museumcollecties het voorkomen van permanente populaties van Ophiogomphus cecilia (een soort van beken) op het Iberische Schiereiland. • D. Goertzen gaf een overzicht van de odonatofauna van waterpartijen op braakliggende fabrieksterreinen (gesloten sinds tientallen jaren) in het Ruhrgebied, waarbij duidelijk werd aangetoond dat ook deze biotopen gekoloniseerd kunnen worden door een behoorlijk aantal soorten. Mits aangepaste beheersplannen kunnen deze gebieden zeker een waarde voor libellen behouden in deze sterk geürbaniseerde omgeving.

Het tweede deel van de morgensessie was eveneens vrij gevarieerd wat de onderwerpen betrof. • W. Zessingaf een overzicht van de fossiele kennis van libellen en belichtte enkele interessante vondsten (o.a. een eerste fossiel waarbij niet enkel vleugels en delen van abdomen maar ook de appendices duidelijk kunnen gezien worden). • HR Wildermuth (Zwitserland) bracht een interessant verhaal van hoe libellen door de polarisatie van het licht op bepaalde blinkende vlakken (bijv. donkere plastiekbanden in aardbeikwekerijen) volkomen ‘misleid’ worden: ze paren en leggen zelfs eieren op het plastiek. Hierbij werden ook verschillende experimenten verricht waarbij de effecten van verschillende materialen bekeken werden. Een vrij eenvoudig maar zeer origineel onderzoekje!

• K. Westerman belichtte een speciaal geval van eileg van Lestes viridis in brandnetelvelden. 

 

Tijdens de derde morgensessie gaf O. Muller een aantal details over de ecologie van Boyeria cretensis, een nog weinig gekende soort endemisch voor het eiland Kreta. • F. Suhling en collega’s presenteerde een onderzoek naar de invloed van de klimaatsveranderingen op libellen, met als proefsoort Gomphus vulgatissimus. Aan de hand van de larvale cyclus in relatie tot verschillen in weersomstandigheden over een zuid-noord transect van het verspreidingsgebied werd een model gegenereerd waaruit blijkt dat bij een verschuiving naar het noorden de levenscyclus zal verkorten.

• J. Ott gaf een overzicht van de habitatsveranderingen en daarmee gaande faunawijzigingen door schommeling in waterpeilen en uitdroging in een aantal habitats nabij Kaiserslautern. • J. Hoffman tenslotte stelde een pas gestart project voor in Peru, dat als doel heeft de klimaatinvloed op libellengemeenschappen te onderzoeken over een hoogtetransect van de kust (0 m) tot de hoge Andes (6000 m) zone.

 

Deze interessante bijeenkomst werd afgesloten met een warm dankwoord aan de organisator T. Brockhaus en de aankondiging van de volgende bijeenkomst in Potsdam (maart 2008).

Tijdens de late namiddag bezochten we de prachtige (heropgebouwde) oude stad van Dresden en op maandag doorkruisten we weer het hele land terug naar Vlaanderen.

Anny Anselin