Complexe levenscyclus

Libellen hebben een complexe levenscyclus met een onvolledige gedaanteverwisseling. Uit het ei komt een larve die zonder popstadium overgaat in een adult. De larven vervellen verschillende keren waarbij telkens meer kenmerken van het volwassen dier (zoals de aanleg van vleugels en legboor) zichtbaar worden. Ondanks de afwezigheid van een tussenliggend popstadium verschillen de larven en de adulten toch nog sterk van elkaar. Deze verschillen hangen samen met de verschillende leefomgeving: terwijl het hele larvale stadium in het water wordt doorgebracht, leven volwassen dieren op het land. Een libel wordt als het ware tweemaal geboren: een eerste keer als de larve uit het ei komt en een tweede keer als de larve transformeert tot volwassen insect.

De opdracht om de levenscyclus rond te maken is razend moeilijk door de vele gevaren die libellen tijdens deze drie stadia bedreigen. Hoewel de verschillende stadia optimaal aangepast zijn aan de door de omgeving opgelegde uitdagingen, slaagt toch minder dan 1% van de eitjes erin om later als adult op haar/zijn beurt eitjes te leggen/bevruchten. De eisen van en dus ook de aanpassingen aan verschillende milieus zoals snelstromende beekjes, uitdrogende plassen en vijvers zijn vaak zo uiteenlopend dat soorten hun cyclus vaak slechts in een beperkt aantal van de aanwezige waterpartijen kunnen volbrengen. We bekijken de verschillende stadia meer in detail en gaan na hoe soorten op verschillende manieren hun succes in de afvallingskoers doorheen de drie stadia proberen te optimaliseren.

 

 

Eistadium

Het ei is zowel het kleinste als het meest resistente stadium tegen ongunstige omgevingsfactoren zoals vorst en uitdrogen. Eitjes van pantserjuffers kunnen bv. zonder problemen temperaturen tot –30° C overleven. Wat betreft de embryonale ontwikkeling kan men drie strategieën onderscheiden. Bij een eerste groep soorten (bv. Coenagrion puella en Ischnura elegans) duurt dit stadium afhankelijk van de temperatuur slechts 2-6 weken zodat de larven nog hetzelfde jaar ontluiken. Bij andere soorten (bv. Lestes sponsa en Chalcolestes viridis) overwinteren de eitjes en ontluiken de larven pas het volgende kalenderjaar. Tijdens de winter gaan de eitjes van deze soorten in een soort ruststadium. Bij een derde groep (bv. Sympetrum sanguineum en S. striolatum) vinden we een gemengde strategie waarbij eitjes die vroeg in het seizoen gelegd werden direct ontwikkelen tot larve, terwijl de eitjes die laat gelegd worden, overwinteren als eitje. Naast ongunstige omgevingsfactoren hebben de eitjes ook af te rekenen met natuurlijke vijanden zoals rovers en parasieten. Eitjes die los in het water worden afgezet (bv. bij Sympetrum-soorten), hebben waarschijnlijk het meest te lijden van predatie door o.a. larven van watermijten en vissen. Eitjes afgelegd in plantenmateriaal zijn dan wel veiliger tegen rovers, maar een ideaal doelwit voor parasieten. Zo kunnen tot meer dan 12 % van de eitjes van Chalcolestes viridis, die onder de schors van twijgen ontwikkelen, geparasiteerd zijn door kleine wespjes.

 

Larvale stadium

Hoewel we het meest vertrouwd zijn met de adulten is het larvale stadium voor al onze soorten (behalve Sympecma fusca) het langste stadium van de gehele cyclus. Het aantal vervellingsstadia dat de larven doorlopen kan variëren zowel tussen als binnen soorten en kan gaan van 9 tot 17. Sommige soorten kunnen hun ontwikkeling versnellen door minder stadia in te lassen. Ook hier vinden we variatie in de ontwikkelstrategieën, waarbij het niet zo is dat grotere glazenmakers het steeds trager doen dan de kleinere waterjuffers. Het bassisschema is ontluiken in het jaar van eileg, overwinteren als larve en uitsluipen tijdens de volgende lente (bv. Coenagrion puella, Aeshna mixta). Andere soorten overwinteren als larve nog een tweede jaar (bv. Calopteryx splendens, Platycnemis pennipes) of zelfs langer (tot 5 jaar bij Cordulegaster boltonii). Ook hier bestaan er gemengde strategieën waarbij sommige larven van dezelfde soort, zelfs binnen eenzelfde plas, in één jaar volgroeien en anderen er nog een jaartje bijdoen (bv. Pyrrhosoma nymphula, Anax imperator, Libellula depressa) of het juist nog sneller doen en nog het jaar van eileg uitsluipen (bv. Ischnura elegans, Sympetrum fonscolombii). Een opvallende afwijking op het basisschema vormt de strikt éénjarige ontwikkeling bij de pantserjuffers. Bij deze familie ontluiken de eieren, na overwinterd te hebben, pas in de lente en voltooien de larven hun ontwikkeling in slechts een 10-tal weken. Dit is een ideale strategie om te overleven in tijdelijke plassen die uitdrogen tijdens de zomer.

De variatie in ontwikkelingstijden is vaak opgelegd door beperkingen vanuit de omgeving. Abiotische factoren zoals weinig voedsel, lage temperaturen, hoge zuurtegraad en lage zuurstofgehaltes zullen de groei en ontwikkeling via hun effect op fysiologische processen onvermijdelijk vertragen. Soorten verschillen sterk in de mate waarmee ze met deze abiotische stressfactoren kunnen omgaan. Larven van Calopteryx en Platycnemis-soorten hebben bv. een hoog zuurstofgehalte nodig en we vinden ze dan ook vaak in snelstromende beekjes en nooit in plassen met lage zuurstofgehaltes. Soorten zoals Lestes sponsa, Enallagma cyathigerum en Sympetrum danae kunnen in heel zure vennen in grote aantallen voorkomen (pH ≈ 4), terwijl we daar bv. nauwelijks elders heel algemene soorten zoals Ischnura elegans zullen aantreffen. Op andere abiotische factoren zoals fotoperiode kunnen larven meer ‘vrijwillig’ aangepast reageren. Het lengen/korten van de dagen gebruiken ze om het relatief tijdstip in het groeiseizoen te bepalen en dus om in te schatten of ze al dan niet nog veel tijd hebben voor de winter ingaat of voordat het uitsluipseizoen eraan komt. Larven van pantserjuffers versnellen hun ontwikkeling als ze worden opgekweekt onder een fotoperiode die overeenkomt met het einde van het groeiseizoen.

Ontwikkeling en succes van larven in bepaalde habitats wordt ook sterk bepaald door de aanwezigheid van predators. In habitats met vis zijn deze de onbetwiste toppredators, hoewel ook fuutachtigen hun jongen met libellenlarven kunnen grootbrengen. In visloze habitats zijn larven van grote glazenmakers samen met andere macro-invertebraten zoals grote roofkevers zelf de toppredators. Libellenlarven hebben verschillende manieren ontwikkeld om predatie te vermijden en deze technieken hangen vaak sterk af van het type toppredator. Een eerste groep mechanismen is gedragsmatig. Larven zullen zich vaak wegstoppen in de vegetatie of zich ingraven in de bodem (Gomphus en Libellula-soorten). Waterplanten zijn daarom van cruciaal belang voor de overleving van libellenlarven in visrijke vijvers. Larven zullen in aanwezigheid van een predator minder actief zijn zodat ze minder opvallen. Typische soorten van visvijvers zoals Platycnemis pennipes en Erythromma najas passen deze tactiek constant toe, zelfs als er geen predators in de buurt zijn. Hierdoor groeien en ontwikkelen deze soorten ook trager; men spreekt van een trage levenswijze. Soorten uit visloze vijvers daarentegen zijn actiever en kunnen hierdoor sneller ontwikkelen. Wanneer larven van dergelijke soorten worden aangevallen, proberen ze weg te zwemmen, wat vaak een succesvolle tactiek is bij invertebrate predators. Larven van glazenmakers zwemmen weg door water uit hun einddarm te persen zodat ze als een projectiel vooruit gestuwd worden. Larven van waterjuffers daarentegen zwemmen door golvende bewegingen te maken met hun achterlijf en gebruiken hierbij de drie staartlamellen als stuworgaan. Als waterjufferlarven bij hun poten of staartlamellen worden gegrepen, dan kunnen ze deze loslaten om alsnog te ontsnappen. Deze lichaamsdelen kunnen bovendien opnieuw aangroeien. Bij een mislukte aanval ten slotte rollen libellenlarven zich vaak op hun rug, trekken hun poten in en veinzen dood te zijn. De predator verliest hierbij vaak de interesse voor zo’n bewegingsloze prooi.

Libellenlarven hebben ook morfologische aanpassingen om predatie te vermijden. Deze gaan vaak hand in hand met gedragstactieken. Soorten die zich ingraven zijn vaak afgeplat en hebben echte graafpoten. Soorten die met vis voorkomen zoals Libellula fulva hebben meestal grote rugdoorns waardoor het voor de vis moeilijker wordt om deze larven te manipuleren. Soorten uit visloze poelen hebben doorgaans grotere lamellen zodat ze sneller kunnen wegzwemmen. Libellenlarven passen hun kleur ook vaak aan de omgeving aan. Deze aanpassing gebeurt op het moment van een vervelling. Zo zullen Enallagma cyathigerum-larven uit fris veenmos er groen uitzien en die in afstervend veenmos eerder bruin. Kleurverschillen zijn dan ook meestal niet bruikbaar bij de determinatie van larven.

Doordat verschillende antipredatietactieken enkel efficiënt zijn tegenover vis of invertebrate predators en niet tegenover beide en zelfs vaak het risico om opgegeten te worden tegenover de andere predator vergroten, komen vele soorten libellen slechts in één van beide habitats voor. Zo is wegzwemmen enkel efficiënt tegenover invertebrate predators en niet tegenover de veel snellere vis; zwemmen maakt zelfs de kans op ontdekking door vis groter. Dit heeft verregaande gevolgen voor de habitatdistributie en populatie-aantallen. De meeste soorten van onze fauna doen het het best in visloze habitats. Sommige kunnen enkel in deze habitats overleven (bv. Lestes barbarus, L. dryas) of hebben er veel grotere populaties dan elders (bv. Enallagma cyathigerum, Lestes sponsa). Deze soorten vinden we vaak terug in tijdelijke plassen en zure vennen waar meestal geen inheemse vis kan overleven. Daarentegen zijn er ook inheemse soorten zoals Erythromma najas, Libellula fulva en Platycnemis pennipes die het blijkbaar beter doen als ze samen met vis voorkomen. Deze soorten hebben het juist moeilijk in visloze habitats omdat ze geen afdoende antipredatietactieken bezitten tegen larven van grote glazenmakersoorten zoals Anax imperator en Aeshna cyanea die hier algemener zijn. Sommige soorten komen ook bijna steeds met vis voor omdat ze dezelfde hoge eisen stellen met betrekking tot zuurstofgehalte (bv. Calopteryx splendens). Daarnaast zijn er echter ook soorten die in grote aantallen in zowel visloze als in vishabitats kunnen voorkomen (bv. Ischnura elegans). Het succes van deze soorten is gedeeltelijk te wijten aan hun flexibiliteit: hun antipredatietactieken zijn niet star en ze passen ze aan de heersende predatoromgeving aan.

Libellenlarven zijn natuurlijk zelf ook belangrijke predators. Het zijn opportunistische jagers: zowat alles wat beweegt en ze kunnen vangen staat op het menu. Ze eten vooral zoöplankton, larven van andere insecten zoals muggenlarven, maar ook andere libellenlarven, vaak van hun eigen soort. Larven van de grote glazenmakersoorten zijn zelfs in staat kleine visjes en kikkervisjes op te eten. Het zijn typische zit-en-wacht-jagers die rustig afwachten tot de prooi dicht genoeg is genaderd om dan bliksemsnel hun vangmasker uit te klappen. Dit vangmasker is een omgebouwde onderlip en is voorzien van twee beweegbare klauwtjes. Het jagen gebeurt zowel op zicht als op de tast met behulp van de antennes. Als de larven onder een sterke tijdsdruk komen te staan, bv. bij het uitdrogen van hun plas, kunnen ze overschakelen naar een meer actieve jachtwijze. Lestes-soorten zitten hierbij hun prooi vaak al zwemmend achterna.

 

Adulte leven

 

Rijpingsperiode

Bij het uitsluipen kruipt de adult uit het huidje van het laatste larvale stadium. Het zijn deze huidjes die we vaak aantreffen op de oevervegetatie en die een perfecte afdruk van de larve vormen. Het is dan ook mogelijk te achterhalen van welke soort een huidje (exuviae) is en men kan zelfs de indruk van de legboor zien bij de vrouwtjes zodat men de huidjes kan seksen. Het kwantitatief verzamelen van deze huidjes is hierdoor een libelvriendelijke manier om inzicht te krijgen in de soortensamenstelling van de libellengemeenschap van een habitat en in populatieparameters zoals densiteiten en verhoudingen van mannetjes tot vrouwtjes. Bij het uitsluipen vinden we bij glazenmakers vaak een overaandeel vrouwtjes. De reden hiervoor is ongekend. Bij de waterjuffers is het aantal mannetjes en vrouwtjes meestal gelijk. Pas uitgeslopen dieren zijn nog kleurloos en beginnen met het oppompen van het achterlijf en de vleugels. Tijdens deze eerste uren zijn ze heel kwetsbaar. Doordat ze vaak massaal uitsluipen en een grote, gemakkelijke prooi vormen, zien we vaak dat predators zoals vogels, spinnen, roofvliegen en zelfs mieren zich specialiseren in het vangen van deze dieren. Na enkele uren is hun huid uitgehard en kan de libel aan zijn eerste vlucht beginnen, weg van het water. Vaak stijgen ze bijna loodrecht omhoog om dan op grote hoogte horizontaal weg te vliegen.

Libellen zijn niet onmiddellijk na het uitsluipen seksueel volwassen en moeten eerst een rijpingsperiode doormaken. De duur van deze periode gaat van een vijftal dagen bij soorten zoals Coenagrion puella en Ischnura elegans tot een 3-tal weken bij Lestes-soorten. De rijpingsperiode wordt meestal weg van het water doorgebracht in het bos en op graslanden. Het centrale thema van deze periode is aandikken en het laten rijpen van de voortplantingscellen; het belangrijkste wat de dieren dus doen is foerageren. Het voedsel bestaat bijna uitsluitend uit kleine insecten zoals vliegen en muggen die al vliegend worden gevangen. Glazenmakers kunnen tijdens deze achtervolgingen snelheden tot ca. 40 km/u behalen en waterjuffers tot ca. 10 km/u. Glazenmakers kunnen enorme capriolen uitvoeren en hierbij zijwaarts en zelfs achteruit vliegen. De dieren blijven tijdens deze periode niet aan het water omdat daar seksueel volwassen mannetjes zitten die met zowat alles wat voorbij vliegt willen paren. Zowel onvolwassen vrouwtjes als mannetjes worden hierbij constant lastig gevallen. Pas wanneer ze klaar zijn voor de voortplanting zullen ze terug naar het water vliegen. Interessant is dat verschillende soorten erin slagen om exact naar hun plas van herkomst terug te vliegen. Dat heeft duidelijk zijn nut: omdat je er zelf succesvol als larve hebt geleefd is de kans groot dat ook je nakomelingen er omgevingsfactoren (bv. predators, zuurtegraad, ...) zullen tegenkomen die gunstig zijn voor hun ontwikkeling.

Op het moment van uitsluipen zijn vrouwtjes vaak al iets zwaarder dan mannetjes, een verschil dat nog meer uitgsproken wordt tijdens de rijpingsperiode. Dit is logisch omdat massa belangrijker is voor vrouwtjes dan voor mannetjes. Zwaardere vrouwtjes hebben immers een groter aantal eitjes en de fitness van vrouwtjes wordt enkel beperkt door het aantal eitjes dat ze tijdens hun leven kunnen produceren. De fitness van mannetjes daarentegen wordt vooral bepaald door het aantal paringen. Vrouwtjes realiseren die grotere massatoename door actiever te foerageren en deels ook door een iets langere rijpingsperiode. Omdat foerageren gevaarlijk is, sterven er waarschijnlijk meer vrouwtjes dan mannetjes, wat het overaandeel van mannetjes in populaties van seksueel volwassen libellen kan verklaren. Schattingen van dubbel zoveel mannetjes dan vrouwtjes zijn niet ongewoon.

 

Seksueel volwassen periode

De uitgekleurde dieren die je aan de plas ziet, hebben nog maar één doel voor ogen: zich voortplanten. Solitaire vrouwtjes worden aan de plas steevast benaderd door paarbeluste mannetjes zodat enkel vrouwtjes met een rijpe lading eitjes aan het water te vinden zijn. Tussen twee eilegbeurten zoeken vrouwtjes terug de bosrand en weilanden op om daar rustig te foerageren om een nieuwe set energierijke eitjes aan te maken. Mannetjes daarentegen hebben er alle belang bij om dagelijks het water te bezoeken op zoek naar tot paring bereide vrouwtjes. Bovendien kost het aanmaken van zaadcellen niet veel energie, zodat ze niet zo lang moeten foerageren tussen twee paringen. De verschillen tussen beide geslachten wat betreft bezoekpatroon aan de voortplantingsplaats kunnen sterk uitgesproken zijn. Bij Lestes sponsa bv. keren de meeste mannetjes na een bezoek aan de plas de volgende dag al terug, terwijl vrouwtjes dit gemiddeld pas vier dagen later doen. Het gevolg van dit verschillend bezoekpatroon aan het water is dat het overaandeel mannetjes in de populatie na de rijpingsperiode nog versterkt wordt aan het water. Verhoudingen van tot 10 keer meer mannetjes dan vrouwtjes zijn er dan ook niet ongewoon. Voor de vrouwtjes lijkt de opdracht om zich voort te planten makkelijker: door het overaandeel aan mannetjes hebben ze keuze te over. Voor de mannetjes daarentegen is het niet zo makkelijk om aan een partner te geraken en de overgrote meerderheid van de mannetjes in een populatie zal nooit paren en slechts een kleine minderheid zal meermaals paren. Seksuele selectie zal hierdoor sterker wegen op de mannetjes dan op de vrouwtjes. Bij vrouwtjes hangt een groot voortplantingssucces vooral af van een lange levensduur (en dus vele eiafzettingen). Bij mannetjes hangt het paarsucces slechts voor een gedeelte af van de levensduur en spelen ook morfologische kenmerken een rol. Het grootste deel van de verschillen in paarsucces tussen mannetjes worden echter door toevalsfactoren bepaald.

Naargelang de soort zien we bij de mannetjes verschillende paarstrategieën. De meeste soorten (bv. Coenagrion puella, Ischnura elegans, Lestes sponsa, Sympetrum danae) vertonen een paarsysteem waarbij mannetjes de hele tijd actief op zoek gaan naar vrouwtjes aan de rand van het water. Eénmaal een vrouwtje gevonden, vliegen ze er pijlsnel naar toe en proberen haar in volle vlucht te onderscheppen.

Kenmerken zoals massa, grootte en symmetrie van de vleugels die geassocieerd zijn met vliegsnelheid en manoevreerbaarheid spelen hierbij een grote rol. Het is trouwens niet zo dat mannetjes van zulke soorten niet vechten. Ze proberen vaak tijdelijk een goede uitkijkpost te vinden dicht bij het water en verdrijven daar dan andere mannetjes. Andere soorten zoals Calopteryx splendens en Libellula quadrimaculata zijn uitgesproken territoriaal, verdedigen een stukje van de oeverzone tegen andere mannetjes en zullen paren met elk vrouwtje dat in hun territorium komt. Vanuit een vaste uitkijkpost maken ze dan geregeld korte vluchtjes op zoek naar vrouwtjes of indringers. Massa en uithoudingsvermogen zijn hier van groot belang. Wat ook de strategie is, de meeste mannetjes slagen er niet in de hele dag aan de plas te zitten, zodat er een continu verloop is en een éénmalige telling een onderschatting van het werkelijk aantal mannetjes oplevert. Gedetailleerd onderzoek van gemerkte mannetjes leerde dat individuen vaak dagelijks naar hetzelfde plekje aan de plas terugkeren en daarbij vaak klokvast zijn.

Mannetjes grijpen een vrouwtje in volle vlucht met de aanhangsels op het einde van het achterlijf vast achter de kop (bij glazenmakers) of halsschild (bij waterjuffers) en vormen de zogenaamde ‘tandem’. Vrouwtjes kunnen dit proberen te verhinderen door kop tegen kop met het mannetje te vliegen of door zich in de vegetatie te laten vallen. Eenmaal in tandem zal het mannetje zijn achterlijf sterk krommen. Hij zal zijn negende segment (waar zijn zaadleiders uitmonden) in contact brengen met zijn tweede segment waar de penis zich bevindt en zijn penis als het ware vullen met zaadcellen. Voor de volgend stap van de paring is de medewerking van het vrouwtje asboluut vereist. Zij moet nu het einde van haar achterlijf naar voren buigen tot het contact maakt met het tweede segment van het achterlijf van het mannetje. Enkel dan kan er gecopuleerd worden. Eenmaal contact gemaakt, spreken we van het zogenaamde paringswiel dat hartvormig is. Vaak vliegt een copulerend paartje in paringswiel rond.

Een paring bestaat uit twee delen. Tijdens het langste deel van de copulatie zal het mannetje proberen de zaadcellen van het vorige mannetje uit de opslagorganen van het vrouwtje te verwijderen. Naargelang de soort is de penis hierbij voorzien van doorntjes (bv. Lestes sponsa) of lange flappen (bv. Calopteryx splendens) die tot diep in de opslagorganen van het vrouwtje kunnen doordringen. Pas tijdens het tweede deel van de paring zal het mannetje zijn eigen zaadcellen overbrengen. Omdat de eicellen pas bevrucht worden op het moment dat ze worden gelegd zal het mannetje proberen bij het vrouwtje te blijven tijdens de eileg om te vermijden dat zijn zaadcellen op hun beurt weer verwijderd worden door een volgend mannetje. Bij vele soorten blijven mannetjes en vrouwtjes daarom gedurende de hele eileg in de tandempositie samen. Soms gaat het vrouwtje hierbij tot meer dan een half uur onder water. Bij andere soorten, zoals de heidelibellen, is er een gemengde strategie. Eileg begint meestal in tandem, maar als er weinig rivaliserende mannetjes in de buurt zijn dan lost het mannetje en vliegt het in de directe buurt van het vrouwtje rond om haar te bewaken. Bij onze meest algemene soort, Ischnura elegans, daarentegen leggen de vrouwtjes steeds solitair ei in de late namiddag. Bij deze soort gebeurt het bewaken van de partner tijdens de copulatie die verschillende uren kan duren.

Libellen zijn ectotherm, wat wil zeggen dat ze voor hun activiteit afhankelijk zijn van de warmte van de zon. Dit beïnvloedt zowel hun vliegseizoen als het verloop van hun dagactiviteit. De meeste soorten zijn slechts op de vleugel in de late lente en zomermaanden. Enkele groepen zoals de heidelibellen en grote glazenmakers vinden we tot in de herfst. Deze dieren hebben dan vaak speciale opwarmstrategieën zoals het trillen met vleugels en abdomen en ze zoeken warme plekjes uit zoals asfalt om snel op te warmen. Doorgaans slapen libellen weg van het water en arriveren de eerste mannetjes in de loop van de voormiddag, gevolgd door de vrouwtjes. In de late namiddag houden ze het dan terug voor bekeken. Libellen kunnen het ook te warm krijgen en op heel warme dagen zien we 's middags dan ook vaak sterk verminderde aantallen aan de plas. Bij soorten zoals Anax imperator en Aeshna mixta vinden we soms een kleine activiteitspiek in de avondschemering.

Bij verschillende soorten libellen (bv. Ischnura elegans, Enallagma cyathigerum) vinden we bij de volwassen vrouwtjes verschillende kleurvormen. Typisch is er één kleurvorm sterk gelijkend op het mannetje en één of meerdere minder opvallend gekleurde kleurvormen. Hoewel we weten dat deze vormen onder bepaalde omstandigheden een verschillend voortplantingssucces kunnen hebben staat het nog steeds ter discussie hoe die verschillende vormen in een populatie naast elkaar kunnen blijven bestaan.

Ook tijdens het volwassen leven hebben libellen af te rekenen met talrijke vijanden. Vele dieren komen terecht in spinnenwebben en in heidegebieden vind je er ook veel gevangen in zonnedauw. Omdat ze voor de eileg vaak dicht bij het wateroppervlak komen, vallen ze ook ten prooi aan kikkers, vissen en roofinsecten zoals schaatsenrijders of andere grote libellensoorten zoals Anax imperator. Het meest spectaculair zijn ongetwijfeld de beelden van boomvalken die libellen uit de lucht plukken. Libellen kunnen hierbij de belangrijke voedselbron vormen voor het grootbrengen van de jongen.

Een andere categorie van vijanden vormen parasieten zoals watermijten. Deze kruipen in het water op larven die willen uitsluipen en stappen dan bij de laatste vervelling van de libel over op het volwassen dier en zuigen zich daar vast. Vaak zie je dan ook waterjuffers en glazenmakers met kleine rode dotjes op het lichaam of op de vleugeladers. Dit zijn de volgezogen watermijten. Tijdens een eilegbeurt van de libel zal de watermijt zich in het water laten vallen om haar cyclus daar verder te zetten. Het aantal watermijten dat op eenzelfde libel parasiteert kan oplopen tot meer dan 100 en doordat ze lichaamssappen zuigen is het logisch dat de libel er last van heeft. Dit kan leiden tot een kortere levensduur, een verlaagd paarsucces of een kleinere vruchtbaarheid. Libellen proberen hiervoor te corrigeren: zo legt een geparasiteerd vrouwtje Coenagrion puella weliswaar beduidend minder eitjes dan een niet-geparasiteerd vrouwtje, maar haar eitjes zijn wel groter. Door al deze gevaren is de duur van het adulte stadium beperkt tot slechts enkele weken. Enkel de grotere soorten zoals Anax imperator worden geregeld ouder dan een maand. Uitzondering hierop is Sympecma fusca die als adult overwintert en dus een adult stadium van verschillende maanden kent.