Tijdschrift GOMPHUS - Inhoudstafel van 20 jaargangen / 1984 - 2004

Rob Gubbels — Eerste waarneming van Gomphus flavipes (Charpentier, 1825) in België: een grensgeval - Gomphus 2001 volume 17 nr 1 p 3

In de zomer van 2000 werden langs de Grensmaas ter hoogte van Maasmechelen twee mannetjes aangetroffen van de Rivierrombout (Gomphus flavipes). Deze libellensoort was nog niet eerder in België waargenomen.

 

Geert De KnijfLeucorrhinia pectoralis (Charpentier, 1825) in 2000 in Vlaanderen: terug van weggeweest of toch nooit volledig verdwenen ? - Gomphus 2001 volume 17 nr 1 p 9

De laatste waarneming van de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhina pectoralis) in Vlaanderen dateerde reeds van 1989 en daarom werd ze in de Rode lijst als Uitgestorven in Vlaanderen beschouwd. In 2000 werden niet minder dan 10 dieren op 5 verschillende locaties waargenomen. Op één plaats werd er ook een tandem en nog een derde exemplaar waargenomen. Al deze vindplaatsen liggen in de Antwerpse (Kalmthout, Herentals en tweemaal Mol) en Limburgse Kempen (Opglabbeek). Opvallend was dat van alle locaties waar L. pectoralis in 2000 werd waargenomen, ze uit het verleden enkel maar bekend was van de vindplaats in Opglabbeek. De biotoop waar L. pectoralis in 2000 werd waargenomen bestaat uit verzuurde vennen (2x), een humuszuur ven, een mesotrofe plas en een voedselarm laagveengebied met kalkrijke kwel. L. pectoralis werd in 2000 waargenomen van 13 mei tot 11 juli. Binnen de periode van half mei tot half juli vallen ook bijna alle vroegere waarnemingen uit Vlaanderen. Over de herkomst van de dieren uit 2000 hebben we geen zekerheid. Gezien de grote afstand (>150 km) tot de bekende grote populaties van L. pectoralis in Noordwest-Europa, en gelet op het aantal dieren over een periode van twee maand, hebben we het vermoeden dat minstens de meerderheid van de 10 dieren, zoniet alle hier zijn uitgeslopen en er dus nog populaties aanwezig zijn in Vlaanderen. Bijkomende argumenten voor deze veronderstelling zijn het de slechte toegankelijkheid van de biotoop voor de mens, het meestal geringe aantal dieren in een populatie en de korte vliegperiode. Gezien deze waarnemingen in 2000 herevalueren we de status van L. pectoralis in Vlaanderen en beschouwen ze als Met uitsterven bedreigd.

 

Philippe Goffart — Compte-rendu des observations d'espèces prioritaires d'Odonates en Wallonie durant la saison 2000, dans le cadre du programme d'Inventaire et Surveillance de la Biodiversité (ISB) - Gomphus 2001 volume 17 nr 1 p 23

Rapport over de waarnemingen van prioritaire libellensoorten in Wallonië gedurende 2000, in het kader van het programma "Inventaire et Surveillance da la Biodiversité". Dit verslag geeft een overzicht van de waarnemingen in 2000 door de medewerkers van de libellenwerkgroep Gomphus over de prioritaire soorten, zoals die bepaald werden in het ISB programma op grond van hun grote zeldzaamheid of achteruitgang. Het presenteert ook gegevens over zeldzame zuidelijke soorten die momenteel uitbreiden naar het noorden. Nieuwe populaties van de volgende soorten werden gevonden: Sympecma fusca, Lestes dryas, Coenagrion mercuriale, Gomphus vulgatissimus, Cordulegaster bidentata, Libellula fulva en Orthetrum coerulescens. Nieuwe vestiging of voortplanting werd vastgeteld voor enkele zuidelijke soorten als Coenagrion scitulum, Anax parthenope en Sympetrum meridionale.

 

Marc Tailly — De libellen van het Kraaibos te Moen-Zwevegem (West-Vlaanderen) - Gomphus 2001 volume 17 nr 1 p 37

Het Kraaibos te Moen-Zwevegem is een jong gebied ontstaan door ophogen met klei bij moderniseringswerken van het nabijgelegen kanaal. Het gebied werd bebost maar een centraal deel ligt onder graasbeheer en daar bevinden zich een aantal vijvertjes. Sinds 1992 werden hier in totaal 21 soorten libellen waargenomen waaronder Sympecma fusca en Ischnura pumilio. Voor 14 soorten is voortplanting minstens waarschijnlijk. Interessant is ook de aanwezigheid sinds enkele jaren van een mooie populatie Lestes barbarus. Het artikel sluit af met een bespreking van het beheer en enkele suggesties hieromtrent.

 

Marc Tailly — Een vondst van Ischnura pumilio (Charpentier, 1825) te Moen-Zwevegem (West-Vlaanderen) - Gomphus 2001 volume 17 nr 1 p 46

Op 19/08/2000 werd in het Kraaibos te Moen-Zwevegem (West-Vlaanderen) een mannetje waargenomen van de Tengere grasjuffer (Ischnura pumilio). De plaats was erg typisch voor de habitat van deze in Vlaanderen bedreigde soort. Deze waarneming wordt besproken tegen de achtergrond van de ecologie van deze pionierssoort en haar beperkte verspreiding in het westen van België.

 

Geert De Knijf — Waarneming van Leucorrhinia rubicunda (Linnaeus, 1758) in het Kraaibos te Moen-Zwevegem (West-Vlaanderen) - Gomphus 2001 volume 17 nr 2 p 75

Op 29 mei 2001 werden twee adulte mannetjes Leucorrhinia rubicunda in het Kraaibos te Moen-Zwevegen in West-Vlaanderen waargenomen. Dit betreft de eerste waarneming sedert 70 jaar in Vlaanderen buiten de Kempen en meteen de eerste waarneming voor de provincie West-Vlaanderen. De biotoop van de vindplaats, meer specifiek een kleibodem, komt niet overeen met de andere vindplaatsen in België en met de literatuur. De dichtstbij gekende populaties liggen op iets meer dan 100 km van het Kraaibos. Opmerkelijk zijn de waarnemingen van eveneens 3 adulte mannetjes sinds 1998 in het aangrenzende Noord-Frankrijk, waar Leucorrhinia rubicunda als uitgestorven werd beschouwd. Gezien daar lokaal nog het geschikte leefgebied voorkomt is het best mogelijk dat daar nog populaties voorkomen die tot op heden onbekend zijn gebleven.

 

Philippe Goffart, Dominique Testaert & Marc Paquay — Actualisation du statut de l'Agrion de Mercure (Coenagrion mercuriale) dans la plaine de Focant (Beauraing) - Gomphus 2001 volume 17 nr 2 p 83

Actuele status van Coenagrion mercuriale in de vlakte van Focant. Gedurende 2000 en 2001 werden systematische tellingen verricht om de huidige situatie voor deze soort te kennen en die te vergelijken met de voorgaande decennia. De soort werd gevonden in 13 sectoren, waarvan er 11 niet voordien gekend waren. Wel waren in 7 sectoren daarvan de aantallen lager dan 10. Slechts 2 sectoren tonen hoge aantallen met 100 tot 500 dieren. De soort is verdwenen uit 4 vroeger bewoonde sectoren and is ernstig achteruit gegaan in één andere. Dit kan verklaard worden door een negatieve evolutie in de habitat. Als de soort zich er niet in een precaire situatie bevindt is dit allicht te wijten aan klimaatsomstandigheden. De soort is er evenwel niet veilig omdat de intensieve landbouw een negatieve invloed heeft op de waterhabitats. Enkele pistes om de soort te behouden en een zekere mate van landbouw worden gesuggereerd.